Nieuwe collega’s

In maart gaat de praktijk afscheid nemen van Marlinda Poppelaars en Nienke Kerstens.

Deze dagen worden overgenomen door Jiske van Geijtenbeek.

Veel succes.

Dag van de Logopedie

Persbericht Dag van de Logopedie

De Europese Dag van de Logopedie op maandag 6 maart staat dit keer in het teken van slikproblemen bij kinderen en volwassenen. Ook in ons land staan we hierbij stil. Via een persbericht vraagt de NVLF aandacht voor slikproblemen en de rol die de logopedist hierin kan spelen. Onderstaand persbericht wordt op 28 februari naar kranten, tijdschriften en nieuwsprogramma’s verstuurd.

Dag van de Logopedie vraagt aandacht voor slikproblemen

Slikken is niet voor iedereen een feestje

Niet naar een verjaardagsfeestje durven, omdat je bang bent dat je je in een stukje taart of een slok koffie verslikt. Elke avond spanning aan de keukentafel omdat je kind niet goed kan slikken en daardoor weigert te eten. Slikproblemen hebben grote impact, zowel bij kinderen als volwassenen. Veel mensen weten niet dat de logopedist kan helpen. Daarom staat de Dag van de Logopedie op 6 maart in het teken van slikproblemen.

‘Eten en drinken. Kauwen en slikken. We doen het zonder erbij na te denken. Maar wanneer dat moeilijk gaat, spreek je van een slikprobleem’, aldus Hanneke Kalf, als logopedist en universitair docent verbonden aan de afdeling Revalidatie van het Radboudumc in Nijmegen. Hanneke Kalf is expert op het gebied van slikproblemen bij volwassenen. ‘Bij volwassenen ontstaan slikproblemen vaak na een beroerte’, vertelt ze. ‘Maar ook mensen met de ziekte van Parkinson, een spierziekte of kanker in de mond of keel kunnen slikproblemen krijgen. Door deze aandoeningen raken de structuren en spieren of zenuwen die zorgen dat je kunt slikken, beschadigd. Soms komen slikproblemen ook voor bij mensen met dementie, maar dan meer in de vorm van problemen met eten en drinken omdat voeding anders wordt ervaren of niet meer herkend.’

Oorzaken bij kinderen
Bij kinderen spelen weer andere oorzaken, vertelt Lenie van den Engel-Hoek, eveneens werkzaam als logopedist bij het Radboudumc, universitair docent en expert op het gebied van slikproblemen bij kinderen. ‘Het probleem komt vaak voor bij kinderen die te vroeg geboren zijn. Maar ook bij kinderen met een (aangeboren) handicap of spierziekte. Soms kan er ook iets anders aan de hand zijn en is het tijdelijk van aard. Een kind dat borstvoeding krijgt, weigert bijvoorbeeld om uit de fles te drinken. Andere kinderen hebben moeite hebben met het leren zuigen, eten van de lepel of kauwen. Voor weer andere kinderen is het slikken zelf een probleem. Hierdoor kan het kind zich regelmatig verslikken of gaan spugen. Soms kan een kind helemaal niet eten of drinken. In dat geval wordt er sondevoeding geven om te voorkomen dat het kind ondervoed raakt. Daarna moet het weer geholpen worden bij de overgang naar ‘gewoon’ eten en drinken.’

Niet meer naar feestjes

De impact van slikproblemen is groot, zowel bij volwassenen als kinderen, vertellen de collega’s Kalf en Van den Engel. Hanneke Kalf: ‘Wanneer volwassenen niet meer goed kunnen kauwen of slikken, eten ze minder, kunnen ze ongewenst gewicht verliezen en zelfs ondervoed raken. Ook kunnen ze een longontsteking krijgen wanneer bij het verslikken vocht of voeding in de luchtpijp komt.’ Maar ook op sociaal gebied heeft het gevolgen’, aldus Hanneke Kalf. ‘Je kunt niet meer eten of drinken wat je lekker vindt. Niet meer een knapperig stokbroodje gezond, maar ook geen pizza of vlees van de barbecue. Zelfs het ‘gewoon’ drinken van koffie of limonade gaat niet zomaar meer. Ik hoor in mijn spreekkamer vaak verhalen van mensen die niet meer naar een verjaardagsfeestje of een etentje durven, omdat ze bang zijn zich te gaan verslikken.’

Onmacht bij ouders

Ook voor ouders hebben de slikproblemen van hun kind veel invloed op het dagelijks leven, vertelt Lenie van den Engel. ‘Deze kinderen hebben vaak medische of ontwikkelingsproblemen. Dit vraagt al extra zorg van ouders of verzorgers. De slikproblemen komen daar dan nog eens bij. Ook ik hoor schrijnende verhalen van ouders die bij ons team terecht komen. De avondmaaltijd die normaal gesproken een moment van rust zou moeten zijn, levert alleen maar spanning op. Als ouder wil je goed voor je kind zorgen. Wanneer het niet lukt om je kind goed en veilig te laten eten, voel je je tekort schieten. Dat zorgt voor stress, ongerustheid en onmacht.’

Logopedie kan helpen
Het herkennen van slikproblemen en het stellen van een goede diagnose vraagt om kennis en ervaring, aldus Kalf en Van den Engel. Daar zijn vaak meerdere disciplines bij betrokken. Ook de logopedist speelt daarin een belangrijke rol. In alle instellingen in de gezondheidszorg zijn daarom logopedisten te vinden die ook slikproblemen behandelen. ‘Een logopedist kan het probleem niet altijd helemaal oplossen’, aldus Van den Engel. ‘Wel kunnen ze ervoor zorgen dat een patiënt ermee om leert gaan.’ ‘Als logopedist kun je twee dingen doen’, legt Kalf uit. ‘In de eerste plaats kun je de patiënt helpen de slikspieren intensief te trainen om zo weer makkelijker of veiliger te leren slikken. Is dat niet mogelijk is, dan ga je met de patiënt – vaak samen met de mantelzorger of andere zorgverleners – op zoek naar oplossingen om zo goed en veilig mogelijk te eten en te drinken. Bijvoorbeeld door een andere sliktechniek aan te leren of aangepaste, makkelijke voeding te adviseren. Hierdoor wordt het leven voor de patiënt en de omgeving weer een stuk aangenamer.’

Logopedie vaker bij ouderen

Bij het grote publiek staat de logopedie vooral bekend om het helpen van kinderen met taalontwikkelingsstoornissen, stotterproblemen en dyslexie, maar ook in de ouderenzorg dragen zij bij aan de kwaliteit van leven van ouderen.

Logopedisten zullen steeds vaker ingezet worden voor hulp aan mensen met ouderdomsgerelateerde aandoeningen, zoals dementie, beroerte en de ziekte van Parkinson. Om deze rol goed te kunnen vervullen zijn wel stappen nodig in onderzoek, scholing en profilering van de beroepsgroep. Dit is de hoofdconclusie van het rapport ‘De rol van de logopedie binnen de ouderenzorg in Nederland’ dat het NIVEL uitvoerde in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF).

Wetenschappelijk onderzoek naar de toepassing en effectiviteit van de logopedie in de ouderenzorg is nog weinig voorhanden. Ook is er een beperkt beeld van de prevalentie van logopedische aandoeningen onder ouderen en de behandeling ervan. Wel komt uit het onderzoek naar voren dat eerstelijns logopedisten vaker globusklachten (een ‘brok in de keel’) en stoornissen in stemproductie- en kwaliteit behandelen, en patiënten met astma en bepaalde vormen van kanker. Hun collega’s in verpleeg- en verzorgingshuizen behandelen vaker afasie en dysfagie (taal- en slikstoornissen veelal door hersenletsel), en patiënten met beroerte, dementie en de ziekte van Parkinson. Omdat ouderen steeds vaker thuis blijven wonen en zorg in de buurt krijgen, wordt het ook belangrijker de intra- en extramurale logopedie te integreren.

Meer samenwerking van logopedisten met andere zorgverleners kan de bijdrage van de logopedie aan de kwaliteit van leven van ouderen vergroten. In instellingen betreft dit de samenwerking met neurologen, KNO-artsen specialisten ouderengeneeskunde. In de eerste lijn kunnen logopedisten hun bijdrage aan de zorg vergroten als zij deelnemen aan het groeiend aantal wijkteams, en meer samenwerken met huisartsen, wijkverpleegkundigen en fysiotherapeuten. Dat geldt ook voor zorgnetwerken die bijvoorbeeld rondom CVA (beroerte) of ziekte van Parkinson zijn opgericht.

Een voorwaarde om deze nieuwe rollen en kansen te pakken is wel verdere profilering van de logopedie, in het algemeen, en binnen de ouderenzorg in het bijzonder. Een aandachtspunt daarbij is het vinden van een balans waar veel zorgberoepen mee te maken hebben, namelijk die tussen specialisatie en generalisatie.

Het onderzoek van het NIVEL is gebaseerd op literatuuronderzoek en analyses van cijfers uit de eerste en tweede lijn waarin logopedisten werkzaam zijn. Daarnaast zijn twee workshops met in totaal 20 logopedisten, huisartsen en medisch specialisten georganiseerd, en is een enquête uitgezet via de NVLF waaraan 456 logopedisten hebben deelgenomen.

Start februari locatie Ginneken

Vanaf 1 februari kunt u terecht voor logopedische behandelingen op onze nieuwe locatie in het Ginneken. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met: 076-564 02 62 of via het e-mailadres: logopediepraktijkdewitte@hetnet.nl

Kerstmarkt Belcrum

dd-kopie
Kerstmarkt Belcrum

Op zaterdag 17 december 2016 van 11.00 uur tot 23.00 uur vindt er een kerstmarkt plaats in de Belcrum!

Er zijn kraampjes en er vinden verschillende activiteiten plaats voor jong en oud. Tevens presenteren diverse bedrijven zich, die werkzaam zijn in de Belcrum. Ook Logopedie & Dyslexie De Witte is hierbij aanwezig.

De kerstmarkt is een mooie gelegenheid om een nieuw samenwerkingsverband gericht op kinderen van de Belcrum te promoten. In het nieuwe jaar gaan wij samenwerken met RT Karin Engelen en praktijk Fourelle Karin Bakkeren. Op de kerstmarkt willen wij onszelf graag aan u voorstellen en u meenemen in onze visie en missie.

Ook hebben we voor de kinderen (en hun ouders) een leuke prijsvraag bedacht: een naam te bedenken voor dit samenwerkingsverband. De winnaar krijgt een leuke prijs.

Graag zien we u op zaterdag 17 december.

aa

Binnenkort openen wij onze 6e locatie in Breda

We zijn trots op onze 6e en nieuwe locatie in de bruisende wijk het Ginneken. Medio december starten de behandelingen.

U kunt zich nu reeds aanmelden via het telefoonnummer: 076 – 564 02 62
of e-mailadres: logopediepraktijkdewitte@hetnet.nl

het-ginneken-breda

Adres:
Ginnekenweg 271
4835 NB Breda

Resultaten van klantervaringsonderzoeken

Wij scoren op alle fronten hoger dan het landelijk gemiddelde

bestand-website

Heeft een dialect invloed op het salaris?

Mensen die dagelijks dialect spreken, verdienen 5 tot 15 procent minder dan degenen die altijd Standaardnederlands (voorheen Algemeen Beschaafd Nederlands) spreken.

Dat blijkt uit onderzoek van Jan van Ours, hoogleraar arbeidseconomie aan Tilburg University. Van Ours onderzocht inkomensverschillen en kwam tot de conclusie dat een lager salaris alleen kon worden verklaard door het feit dat de onderzochten dialect spraken en niet door leeftijd, opleidingsniveau of woonplaats (stad of platteland). Dat lijkt slecht nieuws voor werknemers uit de regio West- Brabant, waar dialecten en accenten aan de orde van de dag zijn.

Er zijn ook onderzoeken die uitwijzen dat het spreken van dialect voordelen oplevert. Tenminste, als het naast een andere taal wordt aangeleerd. Zo onderzocht de Universiteit van Maastricht samen met het Meertens Instituut – dat de Nederlandse taal onderzoekt – Limburgse kinderen die zowel dialect als ABN spraken. Uit het onderzoek bleek dat tweetalige kinderen over het algemeen betere cognitieve vaardigheden hebben dan eentalige. Omdat tweetalige kinderen voortdurend een van beide talen onderdrukken, zijn ze beter in staat om belangrijke informatie te scheiden van niet-belangrijke (bron: Meertens Instituut).

Beter of niet, Jeroen van Glabbeek, oprichter en CEO van het internationaal opererende technologiebedrijf CM in Breda, onderschrijft de stelling dat een dialect in de weg kan staan. “In een bedrijf dat in heel Nederland en ook wereldwijd werkt, moet je goed Nederlands spreken. Zeker als je een representatieve functie hebt of veel aan de telefoon zit. Heb je een zwaar accent, dan kun je misschien beter bij een regionaal bedrijf gaan werken. Bij ons is het ook wel eens voorgekomen dat er iemand solliciteerde met een zwaar accent. Die hebben we geadviseerd te gaan werken in een bedrijf dat voornamelijk in Breda werkt.

Zelf heeft de 37-jarige Van Glabbeek spraaklessen genomen om zijn Brabantse accent af te leren. “Ik houd vaak presentaties en dan helpt het om goed over te komen. Die zachte g maakt me niet veel uit, maar ik gebruikte bijvoorbeeld vaak verkleinwoorden, zoals ‘dingetjes’. Ik heb trouwens het idee dat dialect er steeds meer uit gaat. In mijn jeugd hoorde ik het veel meer om me heen. Ik denk dat het vooral komt door de invloeden van buitenaf.”

Herkent u dit?
Spreekt u zelf met een dialect en heeft u na het lezen van dit artikel de gedachte om hier iets aan te willen doen, neemt u dan contact met ons op.

(Bronvermelding: Blendle)

Heeft u vragen omtrent voeding van uw jonge kind, neemt u dan gerust contact op.

O nee, de baby wil de fles niet!

Wat als je verlof er bijna opzit en je baby weigert uit een flesje te drinken? Steeds meer ouders slaan alarm. ,,Een baby die de fles niet pakt, is vooral lastig. Maar met een baan is het een groot probleem.”

 ,,Lois dronk probleemloos aan de borst, maar de fles wilde ze niet. We probeerden van alles, talloze flessen en spenen, bij daglicht en in het donker; niets werkte. Ik raakte in paniek, want hoe moest dat dan op de crèche?”

Lactatiekundigen en prelogopedisten (experts in drinkproblemen bij zuigelingen) zien steeds meer baby’s zoals Lois. Meestal kindjes die tegen de drie maanden oud zijn. Ouders geven na een paar weken een keer een flesje, maar vergeten om dat te blijven doen. Als het werk dichterbij komt, lukt het niet meer, schetst de Nederlandse Vereniging van Lactatiekundigen (NVL).

Baby Lois weigert de fles

Lepeltje of bekertje

Baby’s leven de eerste weken op reflexen.

Lenie van den Engel-Hoek, prelogopedist

In het meest gunstige geval krijgt een geduldige crècheleidster of oppasoma de baby overstag. Lukt dat niet, dan rest een lepeltje of bekertje om te zorgen dat het kind wat milliliters binnenkrijgt. Óf moeder moet overdag ‘live’ voeden, zoals moeder Sin maandenlang deed. Herkenbaar, stelt AJN Jeugdartsen Nederland: zij komen op consultatiebureaus vaak moeders tegen die heen en weer racen tussen werk en crèche.

Hoewel de term flesweigeraar impliceert dat een kind de fles niet wíl, is het in veel gevallen een kwestie van niet kúnnen, zegt Lenie van den Engel-Hoek van de Landelijke Werkgroep Logopedie voor 0-2 jaar en prelogopedist in het Radboudumc in Nijmegen. ,,Baby’s leven de eerste weken op reflexen: de happende reflex om aan de borst te drinken en de zuigende reflex om uit een flesje te drinken. Maar ergens tussen de acht en twaalf weken doven die reflexen en als je in die periode de zuigbeweging met een fles niet dagelijks oefent, loop je het risico dat een kindje van drie maanden niet meer weet hoe het moet.”

Cijfers over het aantal flesweigeraars ontbreken vooralsnog, betreurt Van den Engel-Hoek. ,,Wat we wel weten: steeds meer moeders werken drie of meer dagen. Een baby die de fles niet pakt, is vooral lastig. Maar met een baan is het een groot probleem.”

Focus op borst

Door de focus op de borst raakt de fles op de achtergrond.

jeugdarts Mascha Kamphuis

Daarnaast houden moeders die aan borstvoeding beginnen (80 procent) het langer vol, waardoor ook de noodzaak om met een flesje aan de gang te gaan daalt, denken de zorgverleners. Anno 2015 geeft 47 procent van de moeders drie maanden de borst, tegenover 29 procent in 2010. 39 procent houdt het zelfs zes maanden vol, tegenover 18 procent in 2010, aldus TNO-onderzoek.

Blijkbaar helpt het dat de geboortezorg het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie om zes maanden te voeden actief uitdraagt. ,,Prachtig, maar door die focus op de borst raakt de fles op de achtergrond”, zegt jeugdarts Mascha Kamphuis (AJN Jeugdartsen). ,,Terwijl oefenen met een flesje toch geen pleidooi is voor kunstvoeding, er kan ook prima moedermelk in. Het is gereedschap dat een moeder vrijheid geeft, zowel tijdens het verlof als daarna.”

Kamphuis erkent dat lang niet alle consultatiebureaus adviseren om op tijd en regelmatig te oefenen. ,,Het staat helaas niet in de richtlijn borstvoeding en geldt dus niet als landelijk advies.”

Bovendien, zo stelt Van den Engel-Hoek, maken kraamzorg en ziekenhuis kersverse moeders nogal eens bang met ‘tepel-speenverwarring’, waardoor het kindje niet meer de moeite zou nemen om uit de borst te drinken als te vroeg een fles of fopspeen wordt aangeboden. ,,Er wordt niet bij verteld dat je gerust een flesje kunt geven als de borstvoeding goed op gang is, na een week of vier”, aldus de prelogopedist.

Tepel-speenverwarring

Wat ze overdag niet binnenkreeg, haalde Lois ’s nachts in. Door alle stress liep ook mijn borstvoeding terug.

Vivian Sin, moeder

Ook moeder Sin was gewaarschuwd voor tepel-speenverwarring en probeerde pas met acht weken een fles. Die dronk dochtertje Lois probleemloos leeg, maar een paar weken later met geen mogelijkheid meer. ,,Had íemand me maar verteld dat ik elke dag met een fles had moeten oefenen!”

Prelogopedist Linda Heijnen uit Utrecht kreeg Lois – toen drie maanden oud, nu acht – aan de fles door allerlei oefeningen te doen, zoals voeden in een bepaalde houding, in dit geval op schoot. ,,Maar meer dan 50 milliliter per keer lukt niet”, vertelt Sin.

Op enkele baby’s na die om nog onverklaarbare reden nooit aan een fles, fopspeen of pink gaan zuigen, geldt volgens Heijnen: hoe eerder je erbij bent hoe beter. ,,Is de zuigreflex verdwenen, dan kan het een lange zoektocht worden op de crèche. Beetje uit de fles, beetje van een lepeltje, beetje uit een cupje en zo snel mogelijk vast voedsel. Vaak blijft het tot negen maanden – als een kind rechtop kan zitten en uit een (rietjes)beker kan drinken – schipperen.

Voor moeders is dat slopend. Sin: ,,Wat ze overdag niet binnenkreeg, haalde Lois ’s nachts in. Door alle stress liep ook mijn borstvoeding terug.” Heijnen: ,,Dat zie ik vaker. Dan loop je het risico dat een kindje te weinig vocht binnenkrijgt en uitdroogt.”

Om die ellende te voorkomen, zou het goed zijn als alle hulpverleners die met baby’s te maken hebben, weten hoe belangrijk oefenen met de fles is, stellen jeugdartsen, lactatiekundigen en prelogopedisten. De kans dat het binnenkort in de richtlijn borstvoeding wordt opgenomen, is echter klein, verwacht Hester Rippen van de Landelijke Borstvoedingsraad. Volgens haar is het thema ‘fles weigeren’ in nationaal verband nog niet ter tafel gebracht.